Donkere wolken glijden door de lucht, op weg naar hun onbekende bestemming. Fascinerend hoe wolken ontstaan en verdwijnen, they just disappear. Is het je al eens opgevallen dat ze meestal alledaagse vormen hebben, als je die maar wilt zien? Veelzijdigheid is ook kenmerkend voor wolken. Soms zijn ze opwindend om te zien, zo soepel glijdend door de lucht alsof ze geen weerstand kennen. Echter, déze donkere wolken zijn verre van opwindend en het glijden gaat ze ook niet al te soepel af. Met veel moeite strompelen ze voorwaarts om vervolgens hun inhoud ongecompliceerd over ons heen te sproeien met de kracht van een barende vrouw. Ik moet me haasten om niet nat te worden, maar ik kan het niet, het lukt me niet om vooruit te komen. Ik blijf stilstaan, naar boven kijkend met vragende ogen: “waar blijf je nu?” Een bliksemschicht schiet met duizelingwekkende snelheid langs mijn hoofd, gevolgd door een donderslag die mijn hoofd doet trillen en met kracht tegen de borst aangooit. Duizelig en tollend sta ik op en bloed gutst uit mijn lip, ik moet er op gebeten hebben tijdens de klap. “Waar blijf je? Is dat alles?” De lucht is blauw, geen wolkje te bekennen. “Vader, waarom hebt gij mij verlaten?” Ik trek mijn witte overhemd uit en veeg mijn gezicht af terwijl één van mijn manchetknopen op de gespleten stenen valt. Ik buig me voorover om hem op te rapen en realiseer me dat ik slechts op tien centimeter afstand van de scheur sta. Wit verandert in bloedrood, toch trek ik de blouse weer aan en vol overtuiging loop ik richting het dorp, naar de pub.
De pub, ideaal om je te bezatten, ideaal om na te denken over fundamentele levensvragen, ideaal om de mensen kennis te laten maken met de wijsheden van het leven. “Jones’ Corner”, mijn stamkroeg, de zin van mijn bestaan in dit door god vergeten oord. Een pint, whiskey, cognac, ik weet het niet. Whiskey dan maar, of toch een whisky? Jameson met ijs, mijn besluit staat vast. Het leven hangt aan elkaar van beslissingen en beslissen, de mensheid heeft alleen nog niet door dat het woord ‘beslissen’ een synoniem is voor zowel ‘vergissen’ als ‘vergankelijk’. Oftewel, als je beslist bega je een vergissing welke nog vergankelijk is ook. Zou daar ook de uitspraak ‘vergissen is menselijk’ vandaan komen? Iedereen beslist tenslotte dagelijks en begaat dus dagelijks de ene vergissing na de andere.
Neem bijvoorbeeld de liefde, een grote vergissing van de mensheid, of beter, een vergissing van onze scheppende macht. We zouden elkaar moeten liefhebben als onszelf en God boven alles, zegt het christenreglement. Maar als we onszelf niet liefhebben haten we onze medemens, dus met andere woorden brengen we in dat geval weer een stukje meer kwaad in de wereld. Vervolgens moeten we God liefhebben boven alles, maar wij mensen zijn niet in staat om goddelijke, dus hogere liefde te communiceren. Hierdoor is het onmogelijk om God lief te hebben boven alles, want wij reiken met ons verstand niet boven onszelf uit. Onze menselijke, vragende liefde is “het kind der Armoede”. Was het niet Plato die dat destijds al zei? Afhankelijk zijn we, in alles wat we doen. We worden hulpeloos en eenzaam geboren. Fysiek, emotioneel en intellectueel zijn we van anderen afhankelijk. Hoe kunnen we in onze afhankelijkheid iets meer liefhebben dan onszelf? Onze afhankelijkheid is namelijk een teken van onze onvolmaaktheid en onze onvolmaaktheid is een teken van onze onmacht en onze onmacht geeft aan dat we niet bij machte zijn om objectief voor God te kiezen en hem boven alles lief te hebben. Geef me toch maar een Bushmills, puur.
Whiskey, ik krijg de neiging om mijn eigen inhoud in het toilet te laten vloeien, maar de beelden van de vorige keer staan nog op mijn netvlies gebrand. Ik kan het niet, niet hier.
“Jones’ Corner”, ik had al onverstandig veel gezopen en kwam voor de zoveelste keer die avond terug van het toilet. Ze keek me aan met een zwoele blik, haar felrode lipstick stak af tegen haar bleke gelaat. Theatraal bracht ze de sigaret naar haar mond en klemde het compleet witte, langwerpige staafje losjes tussen haar volle lippen terwijl ze spottend glimlachte. De witte wand achter haar viel extra op door de gitzwarte jurk die ze droeg en haar sluike zwarte haar verborg een groot deel van haar ongetwijfeld prachtige gezicht. Langzaam trok ze haar been iets op en zette de naaldhak tegen de wand. Een wel erg hoge split en het daardoor duidelijk zichtbare bovenbeen maakte het plaatje compleet. Ze had me in de gaten, terwijl ik me toch echt verdekt opgesteld had. Ze wenkte me en uiteraard gaf ik gehoor aan haar wens. Met nonchalante pasjes liep ik – niet al te snel – richting het bewijs van objectieve schoonheid. “Hi dear, geef je me een drankje?” Haar donkere, geile stem maakte een einde aan het stilzwijgend staren en zorgde ervoor dat ik enigszins onzeker naar de bar liep. Ik voelde haar blik in mijn rug priemen, ongetwijfeld volgde ze elke beweging die ik maakte. Ik herpakte mezelf en met een soepel gebaar legde ik vijftig euro in de hand van de barkeeper en bestelde twee dubbele whisky’s. In een vloeiende beweging pakte ik beide glazen en draaide me om, haar recht in de ogen kijkend. Het wisselgeld uiteraard achterlatend liep ik terug, voet voor voet en met subtiele heupbewegingen. We stonden naast elkaar, ik voelde haar lichaamswarmte en werd enigszins licht in mijn hoofd, het bloed trok ongetwijfeld ergens anders naartoe. We dronken zoals velen voor ons op het geluk van een Amsterdamse hoer en kruisten onze armen voor een eerste ferme teug. Onze lichamen schuurden voorzichtig langs elkaar, het zorgde voor een tinteling in mijn buik. Haar enigszins arrogante blik verzachtte een seconde en haar blauwe ogen namen mijn geest en lichaam in een genadeloze houdgreep. Onontkoombaar. Haar hand rustte op haar heup terwijl ze me nogmaals schuin aankeek, voorzichtig glimlachend en goedkeurend knikkend. En mijn god, wat was ze mooi, wat was ze mooi. Ja, wat was ze toen nog mooi. Een enkel wenkje en ik wist genoeg, gearmd liepen we naar boven – waar zich mijn appartement bevond – alwaar ik haar jas galant aannam en haar plaats liet nemen op de bank. Zelf zat ik in de fauteuil schuin tegenover haar, mijn geraffineerde plannetje overdenkend. Ze zat op de bank – zoals het hoorde. Zo kon ik gemakkelijk naast haar gaan zitten op het moment dat de lichamelijke aantrekkingskracht echt ging werken. Haar houdgreep verslapte geen moment, ze had me in haar macht terwijl ik mezelf voorhield de situatie onder controle te hebben.
Onder invloed van de drank zakte ze steeds iets verder onderuit en toen ik achterom keek bemerkte ik dat de whiskyfles leeg was, tegelijkertijd beseffend dat het moment was aangebroken keek ik weer naar de mysterieuze verschijning op mijn bank. Omhoog kijkend zag ik mijn engeltje wegvliegen, mijn aureool met zich meetorsend. Mijn kleding had ik nog aan maar ik voelde me naakter dan ooit tevoren.
“Geen goede generale repetitie voor het laatste oordeel, mijn ziel verkocht aan een dode vrouw in ruil voor een avond seks,” bedacht ik me terwijl ik wachtte op de poortwachter. Maar de poortwachter kwam niet en eenzaam als ik was, keek ik naar de badkamer; voor de deur lag een ongebruikt condoom. De deur was gesloten en ik wist dat ik hem nooit meer zou kunnen openen, daar zou de poortwachter wel voor zorgen. Ik sloot mijn ogen en hoorde een geluid, maar nog voor ik ze openen kon werden ze dichtgeslagen. De spaarzame geluiden om me heen vervaagden en ik voelde dat mijn kleding op zorgzame wijze van mijn lichaam werd getrokken. Ik glimlachte en dacht aan vroeger, de handen van mijn moeder en de lachende ogen van mijn vader als ze mij samen naar bed brachten. Mijn ademhaling versnelde en luidkeels vloekend begon ik om me heen te slaan, ik greep de kaarsenstandaard van de salontafel en sloeg op gevoel en welgemikt. Met moeite opende ik mijn blauw geworden ogen en zag haar liggen, niet half zo mooi als eerder die avond. Ik keek naar de badkamerdeur, ik zag hem grijnzend staan, de poortwachter. Verbazing vervulde mijn hart, ik vroeg hem wat hij gedaan had maar hij zweeg. Biddend liep ik de deur uit om vervolgens in looppas het dorp te verlaten, op weg naar de eeuwigheid. Die zou ik niet bereiken want toen ik mezelf van de rotsen af wilde werpen stond daar wederom de poortwachter, hij hield me tegen en vast. Ik had in jaren niet zo goed en vast geslapen.
Dat was gisteren, de ‘grande finale’ van mijn apocalyptische gedachtewereld die de realiteit al lang geleden overgenomen heeft. Maar laat ik mezelf eerst eens netjes voorstellen. Ik ben Alex, Alex Gustaf Solstov, ook wel bekend als Aleksej – naar één van Dostojewski’s ‘Gebroeders’ – Solstov. Ik heb het gevoel dat ik al jaren leef, ik voel me oud. Echter, mijn geboorte-akte vertelt me dat ik toch echt nog maar twintig jaar op deze aardkloot rondloop. Misschien was mijn vorige leven zo zwaar dat de opgebouwde last in dit huidige leven nog steeds op mijn schouders drukt. Logischer is het dat dit leven te stressvol is. De werkelijke leeftijd zegt niet veel – in ieder geval niet genoeg. Vermenigvuldig je leeftijd eens met drie, dat is gevoelsmatig een stuk realistischer. Zestig jaar oud, zo voel ik me. Voor de buitenwereld een jong ventje, ik behoor nergens iets vanaf te weten en moet dus vooral mijn bek houden. Momenteel zit ik trouwens in het vliegtuig. Ik ben op weg naar Wales en vraag me niet waarom.
Ik heb geleerd in de tegenwoordige tijd te leven. Vroeger leek alles perfect maar achteraf werd het me pas duidelijk dat die perfectie altijd een illusie is geweest zonder kans op verandering. Terugkijken is pijn lijden en over het algemeen onnodig. Zonder verleden geen toekomst? Ik bewijs het tegendeel door te zijn wie ik ben.
Ik ben mooi, het mag dan niet perfect zijn maar het komt toch aardig in de buurt. Een bewijs ook dat goddelijkheid niet perfect is: ik ben goddelijk maar niet perfect. Ik ben lang, de zware lasten des levens tors ik met me mee zonder te krimpen. Een bewijs van mijn kracht en onverzettelijke en onoverwinnelijke geest. Hoewel het niet alleen om kracht draait in het leven, daar ben ik me van bewust. Maar gelukkig heb ik ook de wijsheid in pacht en op tactisch vlak ben ik geniaal. Zo kan ik – ondanks mijn niet al te brede schouders – het enorme, nog altijd groeiende zondepak met me meedragen zonder eronder te bezwijken.
Schoonheid is een subjectief begrip al ben ik eveneens een schoolvoorbeeld van objectieve schoonheid. En dan doel ik niet alleen op mijn doorleefde maar in prachtige staat verkerende gelaat of mijn weelderige, zwartgeverfde haarbos. Verzorging, daar draait schoonheid om. Verzorging dient een wezenlijk deel van ieders leven te zijn. ‘IJdelheid der ijdelheden' is wat de Prediker zegt, ik noem het noodzakelijk. De laatste jaren ben ik een stuk breder geworden – natuurlijk niet té breed. Oefening baart kunst en je wordt er nog breder van ook.
Veel mensen denken dat ik gek ben, een idioot met psychopathische trekjes. Werkelijk, ik heb geen idee hoe dat komt. ‘De mensen’, weemoed vervult mijn hart als ik aan hen denk, de mensheid weet niet beter. Ik neem het hen niet meer kwalijk, eens zal men mijn gelijk erkennen. Er komt een dag dat men met de handen hoog mij in de straten verheerlijkt. “The Emperor is dead! Long live the Emperor!”
Wat ik in Wales ga doen? Geen idee, maar het is een vlucht uit het dagelijkse simplisme. Ik ben op weg naar een nieuwe werkelijkheid. Toekomstmuziek weerklinkt in mijn hoofd, wonderschone klanken, wonderschone compositorische hoogstandjes.
Weet u, ik zou nog uren met u door kunnen praten, echt waar. Maar ik moet uitstappen, we zijn geland in Cardiff. Alex Gustaf Solstov, onthoud die naam!
© 2006, Coert van Mourik.
Laatste reacties