Mijn foto

Laatste berichten

Laatste reacties

  • Coert Sterke reactie, dat had ik n
  • Alexander Beste Coert, Anderhalf jaar
  • Jor Hai, ik hoop dat je idd je
  • Coert Hi, Dank je. Leuk om te hor
  • Jor Als je het verhaal leest ga

januari 2010

ma di wo do vr za zo
        1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 31
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

BetweenTheDays
"This is not the end. It is not even the beginning of the end. But it is, perhaps, the end of the beginning."
-Winston Churchill-

Nu mijn weblog al geruime tijd op het wereldwijde web staat, lijkt het me tijd om een duidelijkere koers te gaan varen. Dat wil zeggen: meer inhoud, meer persoonlijkheid, meer gevoel.
Niet het einde, niet het begin van het einde maar hooguit het einde van het prille begin. De volwassenwording van mijn web-log.

U ziet, dat ik geruime tijd niets geplaatst heb. Ik heb er de tijd niet voor gehad en de moeite niet voor genomen. Vanaf dit moment wil ik graag weer regelmatig verhalen, berichten, poëzie en dergelijke gaan plaatsen. Houdt u mijn weblog dus in de gaten!

5 maart 2008

Lyrics: Burn, Black Boy

Een songtekst, onlangs geschreven (nog niet gecheckt en geautoriseerd). ;-)

Burn, black boy

I saw a black boy burning
And it was like the greatest paradox
But all he did was yearning
For being just like Jesus, hanging on a cross
He never begged for mercy
So I shot a bullet through his head
All I felt was jealousy
How could he be so peaceful, close before his death?

‘Cause he was a tragic black
They have got the holy gospel
For sinners just like me, there is no turning back
I am like a ghost, locked-up in a shell
Yes, I did believe in Jesus
But those times really are forever gone
He did not come to save us
I think I have to die completely on my own

Even if I’ve got black paint on my white face

© 2008, Coert van Mourik

14 december 2007

Kort verhaal: Het geval van de sprong

Mijn vader hield me altijd voor, dat een lift gevaarlijk is, dat je beter de trap kunt nemen. Ik neem de trap. Ik loop. Ik stijg. Ik hoor een alarm afgaan, de lift zit vast. De brandweer zal zo wel komen. Vader heeft het goed begrepen. Nietzsche ook. Ik klim mijn hele leven al, maar God of hemel heb ik nooit gezien; wellicht allang begraven onder de puinhopen van het menselijk bestaan. Nu nader ik het hoogtepunt, nog een deur door, nog een trap op en dan het luik openen. De grijze lucht kijkt me aan alsof ik degene ben die haar constant huilen laat. Ik loop een rondje en besef, dat het hier harder waait dan beneden. Als ik naar beneden kijk, zie ik kleine bewegende lichtjes in een waas van uitlaatgassen en winterse weersomstandigheden. Beseffend dat ik moet springen, overdenk ik alles nog een keer. Dan spring ik.

Terwijl ik val, overvalt me de gedachte, dat alles een illusie is – een gedachte waarmee de harde klap die straks komen gaat, en die al mijn botten breken zal, korte metten zal maken. Maar op dit moment is het een welkome gedachte, een gedachte die mijn angst wegneemt en mij helderder laat denken dan ooit tevoren. Ik bedenk dat mijn sprong voortkomt uit rationaliteit en niets te maken heeft met emoties. Dit is de uiterste consequentie van het leven: de zelfgekozen dood.

Luide sirenes slaan als de klepel van een grote kerkklok de binnenkant van mijn als klankkast fungerende hersenpan aan diggelen. Nooit eerder stond ik er bij stil, dat dergelijke geluiden zo hard kunnen weerklinken. Komt het doordat het harde suizen van de wind ervoor gezorgd heeft dat mijn gehoor overgevoelig is geworden? Of is het gekomen door de luchtverplaatsing van mijn steeds sneller vallende lichaam, zodat alles dof, maar hard weerklinkt nu ik de grond harder dan ooit onder me voel? Momenteel word ik op een brancard gelegd, maar door het rode waas voor mijn ogen kan ik niet zien door wie. Ik zie niets meer. Mijn hartslag versnelt eerst, maar neemt dan af in regelmaat en kracht. Ik val weg, en zie het weer voor me. Ik zie haar weer voor me.

Ze is niet groot, ze is niet klein. Ze is niet dik, ze is niet dun. Ze is niet blank, ze is niet bruin. Ze is niet blond, ze is niet zwart. Ze is niet mooi, ze is niet lelijk. Eigenlijk is ze niets. Toch staat ze voor me. De dag heeft nog maar net haar poorten geopend en de eerste lichtstralen kijken om de hoek. Ik verkeer in de wereld tussen slapen en ontwaken. Iedere morgen als ik wakker word, zie ik haar. Geen idee wie het is, geen idee wat ze van me wil. Ze zegt niets, maar kijkt alleen. Details ontbreken, eigenlijk ontbreekt alles, er is slechts de vage idee van aanwezigheid. Natuurlijk vraag ik me constant af wat het te betekenen heeft, wie het is, wat het is, waarom ze er is. Is het God, is het een engel, is het Satan, is het een demon? En waarom gebeurt er niets?
Als de morgen ons in vol ornaat verschijnt, verdwijnt ze en neemt ze steeds een stukje van mij mee. Ze breekt me af, iedere morgen weer. Maar ze geeft er ook iets voor terug: diepe, alles overheersende angst.
Sommige mensen beschuldigen me ervan, dat ik absurdistische verhalen ophang en daarbij de werkelijkheid uit het oog verlies. Die mensen begrijpen echter niets van het leven en van de werkelijkheid. Dit ís de werkelijkheid. Cogito ergo sum: ik denk dus ik besta. Daarbij neem ik waar. Waarneming is weliswaar altijd subjectief, maar mijn waarneming is niet subjectiever dan die van de anderen. Constant overvalt me de gedachte dat God me iets duidelijk wil maken. Maar God heb ik zelf gedood, dat hebben we samen gedaan, ik en de rest van de mensheid. Is Hij opgestaan? Maar wat heb ik Hem misdaan? Ik heb slechts Zijn dood op mijn geweten, en ik heb het niet eens alleen gedaan. Ik neuk, vloek, snuif, spuit, slik, rook, blow, spot, hoon, scheld, verwens, maar verder doe ik niemand iets aan. En toch staat ze daar iedere morgen. Het doet me denken aan het beroemde citaat uit de film Cool Hand Luke, uit het magische jaar 1967: “What we’ve got here is failure to communicate.”

Deze morgen is anders. Duizelig open ik mijn ogen als ik merk dat de duisternis plaatsmaakt voor het licht. Ik zie kalfjes rennen, met baby’s op hun rug, ik hoor lammeren klagend mekkeren, ik hoor eierschalen breken onder het geweld van kleine snavels. Ik knijp mijn ogen stijf dicht en ervaar de heftigheid van een psychedelische trip. Kleuren schieten alle kanten op: rood, blauw, groen, paars, geel… tegen een achtergrond zo zwart als Hitlers hart. Alles vernietigende bliksemschichten worden afgewisseld met duizelingwekkende spiralen die de ongekende diepten van mijn ziel bereiken. De geluiden klinken ruimtelijk en vooral heel erg hard. Ik denk terug aan mijn geboorte, toen alles nog goed was. De onschuldigheid van een kind. Het ongecompliceerde bestaan van een jong kalfje.

“Open je ogen!”
Haar harde stem dreunt dof achter de droge ogen in mijn hoofd. Het is alsof ik val van grote hoogte. Ik hoop niet dat het een voorbode is.
“Waarom vrouw, waarom moet ik naar u luisteren? Naar u, die alles van me afnam, u, die mijn leven afgebroken hebt.”
Toch kijk ik op, daar staat ze. Of vergis ik me? Staat ze toch aan de andere kant van de kamer? Instinctief kijk ik naar de deur. Hij staat open. Zij is er niet. Ik blijf liggen. Het blijft stil.
“Waarom blijf je liggen, duivelskind?”
Tranen schieten in mijn ogen. Nog nooit ben ik uitgemaakt voor een duivelskind. Nooit eerder durfde iemand de waarheid onder ogen te zien. Ze is de eerste. Ze zal de laatste zijn.
“Hoe hebt u het ontdekt?”
“Wat denk je? Ik weet toch wie je bent. Kom toch eens uit die grot, zie toch eens het echte licht in plaats van alle projecties. Je bent een genie, maar bovenal een angsthaas. Een filosoof zei eens, dat degene die religie nodig heeft om betekenis aan zijn leven te geven, een angsthaas is. Jij bent die angsthaas, je hebt die grot nodig, dat is je religie.”
“Ik wil niet uit mijn perfect gecreëerde grot kruipen, ik wil in duisternis leven, ver van het leven, ver van die zogenaamde werkelijkheid van u. En als dat mijn religie is en het me daarom een angsthaas maakt, dan leg ik me daar bij neer.”
“Je weet niet wat je zegt… Hoe dúrf je jezelf zo te gedragen?!”
“Wie bent u, dat u mij terechtwijst?”
Verbaasd blijf ik omkijken, want waar de stem vandaan komt, weet ik niet.
“Ga je me nu vertellen dat je niet weet wie ik ben? Dat uitgerekend jij je zo moet verlagen.”
“Verlagen? Hoe bedoelt u?”
“Je bent een verrader. Je hebt mij verraden. Dat doe je iedere keer weer, elke morgen als je je ogen opent, verraad je me.”
“U vermoeit me met uw woorden, u geselt me ermee. Het lijkt me dat ik degene ben die het recht heeft om te klagen, is het niet?”
“Dwaas!”
Dan is het stil. De echo van het gesprek weerklinkt in mijn gedachten. Ik voel mijn oogleden zwaarder worden. Vermoeid draai ik me om in bed, merk op dat mijn lakens nat zijn van het zweet en val dan wederom in slaap. In mijn dromen ren ik vrolijk rond, als kleine koter. Ik zie mijn ouders voor me, ze lachen naar me en kijken trots om zich heen. Ze zijn trots op me.

Bloed kleeft aan mijn handen, ik ben een verrader, maar ik heb het verdrongen. Ik schrik wakker, spring uit bed, ren naar de badkamer en kijk in de spiegel. Daarin zie ik mijn vader en mijn moeder. Maar zij leven toch niet meer? Ze liggen op het bed. Hartstikke dood zijn ze, ik zie ze liggen in de spiegel: het staat op mijn netvlies gebrand. En ik, ik heb het gedaan. Ik heb ze nog gekust, vlak voordat ik het grote mes tevoorschijn toverde waarmee ik als een bezetene hun kelen door heb gesneden.

“Hoe weet u ervan, hoe weet u van mijn daden?”
“Ik weet alles, dat zou jij toch moeten weten.”
“Bent u het, Meester, in de gedaante van een vrouw?”
“Doe niet zo achterlijk, gedraag je niet als een idioot.”

Ik ren naar de hoogste flat in het centrum. Het staat vast, ik zal mezelf ombrengen. Ik kan er niet meer tegen. Niet tegen mezelf, niet tegen mijn daden, niet tegen de duistere machten die me teisteren, niet tegen de vrouw en niet tegen het leven. Ik zal springen en mezelf verlossen. Ik zal de consequenties van het leven onder ogen zien: ik kies voor de dood. Door de draaideur spring ik naar binnen en hijg dan even uit. Ze hebben een trap en ze hebben een lift…

De ambulance kan niet hard rijden, de weg is slecht begaanbaar. Eigenlijk heb ik het aan de overheid te danken: zij hebben geen geld uitgetrokken voor nieuw asfalt, dat heeft ervoor gezorgd dat ik mijn doel bereikt heb. Ik ben bijna dood, en het ziekenhuis zal ik met dit tempo nooit gaan halen.
Mijn oogleden worden zwaarder, mijn hart maakt rare sprongen en ik voel mijn einde naderen. Daar staat de vrouw, ze kijkt me aan en vraagt me hoe het toch zo ver heeft kunnen komen… Net voordat ik het tijdelijke met het eeuwige zal verwisselen, zie ik haar naast me zitten, in de ziekenauto. Ze buigt zich over me heen…
“Moeder?”

© 2007/2008, Coert van Mourik

13 december 2007

Kort verhaal: Nachttreinen en donkere wallen

Utrecht november 2005, een paar minuten voor halftwee ’s nachts. Ze ziet er vermoeid uit, maar ondanks de donkere wallen onder haar ogen, de uitgelopen mascara en de naar beneden hangende mondhoeken, behoudt ze haar waardigheid en haar vrouwelijkheid. Alleen is ze, alleen zij en haar eeuwige schoudertas. Inwendig vol verve vloekend, loopt ze richting Centraal Station – het koude winterweer heeft overduidelijk een negatieve uitwerking op Marjan. Ze is chagrijnig, en niet zonder reden; de winterkou teistert haar botten en ze heeft overgewerkt. Bovendien heeft ze min of meer verplicht een drankje genuttigd met die ‘klootzak’ van een Thomas die ze te vriend moet houden en waarvan ze geen hoogte kan krijgen. De nachttrein wacht alreeds op haar, uitnodigend openstaande deuren roepen haar en gewillig geeft ze gehoor aan die roep.

“Oh it’s such a perfect day, I’m glad I spend it with you!” Keurig op maat gesneden pak, bijpassende schoenen, prachtig koffertje en een hippe zonnebril. Zijn lippen zingen mee met de klanken die uit zijn iPod komen, terwijl zijn wangen de samba dansen van het glimlachen. De vrouw met wie hij zojuist een drankje gedronken heeft, behoort ongetwijfeld tot de oorzaken van zijn vrolijkheid, hoewel ook de vrije dag van morgen ermee te maken kan hebben. Kijk, daar stapt hij in de trein: de eeuwige forens, de altijd keurige zakenman, de railerudiet.

Naar goed gebruik klinkt na enige minuten het vreselijk valse fluitje. “Eindelijk”, denkt ze “eindelijk kan ik naar huis.” Ze heeft Thomas, die net voor het fluitend en sissend sluiten van de deuren naar binnen is gesprongen, niet opgemerkt. Totdat hij tegenover haar gaat zitten… “Ah nee, waarom hier, waarom jij”, denkt ze. Vol zelfvertrouwen en vol overgave begint hij tot overmaat van ramp ook nog tegen haar te praten. Ongeïnteresseerd kijkt ze hem aan, haar oordopjes heeft ze uit fatsoen uit haar oren gehaald, althans, één ervan. In haar rechteroor weerklinkt onverminderd en krachtig het zinnetje: ‘you’re a natural disaster.’ Ze onderdrukt de neiging om demonstratief mee te gaan zingen en antwoordt quasi-geïnteresseerd op zijn vele voorbedachte vragen, onderwijl denkend: “God, hoe kom ik van hem af.” Thomas heeft niets in de gaten of doet in ieder geval alsof. En zijn stug aanhoudende gevraag wordt haast vertederend onhandig. “Eigenlijk is hij niet eens heel lelijk… en hij is ook best schattig zoals hij nu zit. Hij doet meer moeite voor me dan alle andere mannen tot nu toe.” Ze schrikt op uit haar gedachten en bloost. Net op dat moment fluistert Thomas onbeholpen dat hij haar mooi vindt. Ze ontdooit definitief, zet haar mp3-speler uit en lacht hartelijk om zijn woorden.

“Dames en heren, zoals u wellicht gemerkt heeft, rijden we momenteel iets langzamer, maar over enige ogenblikken komen we met een vertraging van ongeveer 20 minuten aan op Amsterdam Centraal, eindpunt van deze trein. Vergeet niet uw eigen…” Thomas blijkt zijn trein te hebben gemist en op de vraag waarom hij überhaupt met zo’n omweg naar Rotterdam reist, geeft hij behalve een verlegen lachje geen antwoord. “Mag ik een eindje met je meelopen? Ik moet toch anderhalf uur op mijn trein wachten, die vervloekte nachttreinen ook.” Thomas kijkt haar zo goedmoedig vragend aan dat ze niet kan weigeren. Daarbij is het nacht, rijden er voorlopig geen bussen richting haar appartement en ziet ze er toch behoorlijk tegenop om alleen door het centrum van Amsterdam te lopen. En Ajax heeft ook nog eens gewonnen, het binnenstaddrama is natuurlijk niet compleet zonder de dronken ‘joden’ die hun clubje ook uren na het verlaten van het stadion nog toezingen. “Ja, je mag wel een stukje meelopen, graag zelfs.” Verbaasd wil ze zichzelf aankijken. Beseffende dat je daar toch echt een spiegel voor nodig hebt, steekt ze geheel onverwachts haar arm in de zijne. Gearmd lopen ze de trap af.

Zodra ze het Centraal Station van Amsterdam verlaten, stappen ze – zigzaggend tussen de vele zwervers en andere arme drommels door – stevig door richting het centrum. Via Damrak richting De Dam lopen ze zwijgend naast elkaar, elkaar af en toe zacht glimlachend aankijkend. Alle clichés blijken waar te zijn: de donkerte van de nacht, het zachte licht van de maan weerkaatsend in beider ogen, et cetera. Clichématige ontwikkelingen en verwikkelingen volgen elkaar in rap tempo op. Eerder op de dag waren ze nog verder uit elkaar gedreven dan ooit tevoren en nu lopen ze vrolijk paraderend over De Dam. “Thomas, ik loop het laatste stukje liever alleen, ik wil alles rustig overdenken en ik zie je na het weekend toch wel weer.” Nadat ze een vluchtig nat kusje op zijn wang heeft gedrukt, loopt ze verder richting haar appartement…

Utrecht december 2006, een paar minuten voor halftwee ’s nachts. Ze ziet er vermoeid uit, maar ondanks de donkere wallen onder haar ogen, de uitgelopen mascara en de naar beneden hangende mondhoeken, behoudt ze haar waardigheid en haar vrouwelijkheid. Alleen is ze, alleen zij en haar eeuwige schoudertas. Na goed gebruik klinkt na enige minuten het vreselijk valse fluitje. “Eindelijk”, denkt ze “eindelijk kan ik naar huis.” Ze heeft de twee jongemannen, die net voor het fluitend en sissend sluiten van de deuren naar binnen zijn gesprongen, niet opgemerkt. Totdat ze tegenover haar gaan zitten… “Ah nee, waarom hier”, denkt ze. Tot overmaat van ramp beginnen ze ook nog tegen haar te praten. Ze stellen zich lacherig voor en stellen allerhande vreemde vragen over haar liefdesleven. Het verbaast haar weliswaar, maar ze antwoordt wel en begint te vertellen over die aparte nacht nu ongeveer een jaar geleden.

“Dames en heren, over enige ogenblikken Amsterdam Centraal, eindpunt van deze trein. Vergeet niet uw eigendommen mee te nemen.” Marjan wil afscheid nemen, maar de jongeheren zijn haar voor: “mogen we niet een stukje meelopen? Onze trein vertrekt pas over anderhalf uur, we moeten nog door naar Rotterdam…” Via Damrak lopen ze gedrieën naar De Dam, onderwijl pratend over koetjes, kalfjes, drank, drugs en seks. De Dam, zonder kleerscheuren arriveren ze er en Marjan kijkt de twee heren na als ze haar verlaten, lopend richting de Wallen.

De Wallen; de vele rode en schaarse blauwe lampjes kleuren de straten en roepende, ramentikkende buitenlandse meisjes zorgen voor muzikale ondersteuning. De wolkjes die het passerende voetvolk uitblaast vanwege de kou, lijken absoluut groter te zijn dan normaal; de lichaamstemperatuur neemt bij velen klaarblijkelijk buitensporig toe. De vrouwen die zich te koop aanbieden – eigenlijk te huur – zijn in alles het tegenbeeld van Marjan. Eventuele wallen onder de ogen zijn vakkundig weggewerkt met een overdosis make-up, zogenaamd vrolijke blikken die een heel andere waarheid verhullen, richten zich op de voorbij strompelende mannen; vrouwelijkheid en waardigheid lijken veelal verloren te zijn gegaan. Natuurlijk, een vrouw in lingerie die haar borsten tegen de ramen aandrukt en over haar kruisje wrijft om aandacht te trekken, blijkt voor veel mannen erg opwindend te zijn. Ook de twee jongeheren die Marjan net heeft uitgezwaaid en die ze nu op enkele meters afstand volgt, kijken met regelmaat door de raampjes naar de vrouwen. Verbazend genoeg lijken ze vooralsnog niet dusdanig onder de indruk te zijn, dat ze daadwerkelijk bij een van de dames binnengaan. Ze nadert de twee op enkele meters en hoort een van hen mompelen: “Geldgebrek.”

Grijnzend draait ze om en loopt richting haar appartement. Thomas wacht op haar.

© 2006/2007, Coert van Mourik, met dank aan Kees Visser

13 september 2006

Kort verhaal: Wales

Donkere wolken glijden door de lucht, op weg naar hun onbekende bestemming. Fascinerend hoe wolken ontstaan en verdwijnen, they just disappear. Is het je al eens opgevallen dat ze meestal alledaagse vormen hebben, als je die maar wilt zien? Veelzijdigheid is ook kenmerkend voor wolken. Soms zijn ze opwindend om te zien, zo soepel glijdend door de lucht alsof ze geen weerstand kennen. Echter, déze donkere wolken zijn verre van opwindend en het glijden gaat ze ook niet al te soepel af. Met veel moeite strompelen ze voorwaarts om vervolgens hun inhoud ongecompliceerd over ons heen te sproeien met de kracht van een barende vrouw. Ik moet me haasten om niet nat te worden, maar ik kan het niet, het lukt me niet om vooruit te komen. Ik blijf stilstaan, naar boven kijkend met vragende ogen: “waar blijf je nu?” Een bliksemschicht schiet met duizelingwekkende snelheid langs mijn hoofd, gevolgd door een donderslag die mijn hoofd doet trillen en met kracht tegen de borst aangooit. Duizelig en tollend sta ik op en bloed gutst uit mijn lip, ik moet er op gebeten hebben tijdens de klap. “Waar blijf je? Is dat alles?” De lucht is blauw, geen wolkje te bekennen. “Vader, waarom hebt gij mij verlaten?” Ik trek mijn witte overhemd uit en veeg mijn gezicht af terwijl één van mijn manchetknopen op de gespleten stenen valt. Ik buig me voorover om hem op te rapen en realiseer me dat ik slechts op tien centimeter afstand van de scheur sta. Wit verandert in bloedrood, toch trek ik de blouse weer aan en vol overtuiging loop ik richting het dorp, naar de pub.

De pub, ideaal om je te bezatten, ideaal om na te denken over fundamentele levensvragen, ideaal om de mensen kennis te laten maken met de wijsheden van het leven. “Jones’ Corner”, mijn stamkroeg, de zin van mijn bestaan in dit door god vergeten oord. Een pint, whiskey, cognac, ik weet het niet. Whiskey dan maar, of toch een whisky? Jameson met ijs, mijn besluit staat vast. Het leven hangt aan elkaar van beslissingen en beslissen, de mensheid heeft alleen nog niet door dat het woord ‘beslissen’ een synoniem is voor zowel ‘vergissen’ als ‘vergankelijk’. Oftewel, als je beslist bega je een vergissing welke nog vergankelijk is ook. Zou daar ook de uitspraak ‘vergissen is menselijk’ vandaan komen? Iedereen beslist tenslotte dagelijks en begaat dus dagelijks de ene vergissing na de andere.

Neem bijvoorbeeld de liefde, een grote vergissing van de mensheid, of beter, een vergissing van onze scheppende macht. We zouden elkaar moeten liefhebben als onszelf en God boven alles, zegt het christenreglement. Maar als we onszelf niet liefhebben haten we onze medemens, dus met andere woorden brengen we in dat geval weer een stukje meer kwaad in de wereld. Vervolgens moeten we God liefhebben boven alles, maar wij mensen zijn niet in staat om goddelijke, dus hogere liefde te communiceren. Hierdoor is het onmogelijk om God lief te hebben boven alles, want wij reiken met ons verstand niet boven onszelf uit. Onze menselijke, vragende liefde is “het kind der Armoede”. Was het niet Plato die dat destijds al zei? Afhankelijk zijn we, in alles wat we doen. We worden hulpeloos en eenzaam geboren. Fysiek, emotioneel en intellectueel zijn we van anderen afhankelijk. Hoe kunnen we in onze afhankelijkheid iets meer liefhebben dan onszelf? Onze afhankelijkheid is namelijk een teken van onze onvolmaaktheid en onze onvolmaaktheid is een teken van onze onmacht en onze onmacht geeft aan dat we niet bij machte zijn om objectief voor God te kiezen en hem boven alles lief te hebben. Geef me toch maar een Bushmills, puur.

Whiskey, ik krijg de neiging om mijn eigen inhoud in het toilet te laten vloeien, maar de beelden van de vorige keer staan nog op mijn netvlies gebrand. Ik kan het niet, niet hier.

“Jones’ Corner”, ik had al onverstandig veel gezopen en kwam voor de zoveelste keer die avond terug van het toilet. Ze keek me aan met een zwoele blik, haar felrode lipstick stak af tegen haar bleke gelaat. Theatraal bracht ze de sigaret naar haar mond en klemde het compleet witte, langwerpige staafje losjes tussen haar volle lippen terwijl ze spottend glimlachte. De witte wand achter haar viel extra op door de gitzwarte jurk die ze droeg en haar sluike zwarte haar verborg een groot deel van haar ongetwijfeld prachtige gezicht. Langzaam trok ze haar been iets op en zette de naaldhak tegen de wand. Een wel erg hoge split en het daardoor duidelijk zichtbare bovenbeen maakte het plaatje compleet. Ze had me in de gaten, terwijl ik me toch echt verdekt opgesteld had. Ze wenkte me en uiteraard gaf ik gehoor aan haar wens. Met nonchalante pasjes liep ik – niet al te snel – richting het bewijs van objectieve schoonheid. “Hi dear, geef je me een drankje?” Haar donkere, geile stem maakte een einde aan het stilzwijgend staren en zorgde ervoor dat ik enigszins onzeker naar de bar liep. Ik voelde haar blik in mijn rug priemen, ongetwijfeld volgde ze elke beweging die ik maakte. Ik herpakte mezelf en met een soepel gebaar legde ik vijftig euro in de hand van de barkeeper en bestelde twee dubbele whisky’s. In een vloeiende beweging pakte ik beide glazen en draaide me om, haar recht in de ogen kijkend. Het wisselgeld uiteraard achterlatend liep ik terug, voet voor voet en met subtiele heupbewegingen. We stonden naast elkaar, ik voelde haar lichaamswarmte en werd enigszins licht in mijn hoofd, het bloed trok ongetwijfeld ergens anders naartoe. We dronken zoals velen voor ons op het geluk van een Amsterdamse hoer en kruisten onze armen voor een eerste ferme teug. Onze lichamen schuurden voorzichtig langs elkaar, het zorgde voor een tinteling in mijn buik. Haar enigszins arrogante blik verzachtte een seconde en haar blauwe ogen namen mijn geest en lichaam in een genadeloze houdgreep. Onontkoombaar. Haar hand rustte op haar heup terwijl ze me nogmaals schuin aankeek, voorzichtig glimlachend en goedkeurend knikkend. En mijn god, wat was ze mooi, wat was ze mooi. Ja, wat was ze toen nog mooi. Een enkel wenkje en ik wist genoeg, gearmd liepen we naar boven – waar zich mijn appartement bevond – alwaar ik haar jas galant aannam en haar plaats liet nemen op de bank. Zelf zat ik in de fauteuil schuin tegenover haar, mijn geraffineerde plannetje overdenkend. Ze zat op de bank – zoals het hoorde. Zo kon ik gemakkelijk naast haar gaan zitten op het moment dat de lichamelijke aantrekkingskracht echt ging werken. Haar houdgreep verslapte geen moment, ze had me in haar macht terwijl ik mezelf voorhield de situatie onder controle te hebben.

Onder invloed van de drank zakte ze steeds iets verder onderuit en toen ik achterom keek bemerkte ik dat de whiskyfles leeg was, tegelijkertijd beseffend dat het moment was aangebroken keek ik weer naar de mysterieuze verschijning op mijn bank. Omhoog kijkend zag ik mijn engeltje wegvliegen, mijn aureool met zich meetorsend. Mijn kleding had ik nog aan maar ik voelde me naakter dan ooit tevoren.

“Geen goede generale repetitie voor het laatste oordeel, mijn ziel verkocht aan een dode vrouw in ruil voor een avond seks,” bedacht ik me terwijl ik wachtte op de poortwachter. Maar de poortwachter kwam niet en eenzaam als ik was,  keek ik naar de badkamer; voor de deur lag een ongebruikt condoom. De deur was gesloten en ik wist dat ik hem nooit meer zou kunnen openen, daar zou de poortwachter wel voor zorgen. Ik sloot mijn ogen en hoorde een geluid, maar nog voor ik ze openen kon werden ze dichtgeslagen. De spaarzame geluiden om me heen vervaagden en ik voelde dat mijn kleding op zorgzame wijze van mijn lichaam werd getrokken. Ik glimlachte en dacht aan vroeger, de handen van mijn moeder en de lachende ogen van mijn vader als ze mij samen naar bed brachten. Mijn ademhaling versnelde en luidkeels vloekend begon ik om me heen te slaan, ik greep de kaarsenstandaard van de salontafel en sloeg op gevoel en welgemikt. Met moeite opende ik mijn blauw geworden ogen en zag haar liggen, niet half zo mooi als eerder die avond. Ik keek naar de badkamerdeur, ik  zag hem grijnzend staan, de poortwachter. Verbazing vervulde mijn hart,  ik vroeg hem wat hij gedaan had maar hij zweeg. Biddend liep ik de deur uit om vervolgens in looppas het dorp te verlaten, op weg naar de eeuwigheid. Die zou ik niet bereiken want toen ik mezelf van de rotsen af wilde werpen stond daar wederom de poortwachter, hij hield me tegen en vast. Ik had in jaren niet zo goed en vast geslapen.

Dat was gisteren, de ‘grande finale’ van mijn apocalyptische gedachtewereld die de realiteit al lang geleden overgenomen heeft. Maar laat ik mezelf eerst eens netjes voorstellen. Ik ben Alex, Alex Gustaf Solstov, ook wel bekend als Aleksej – naar één van Dostojewski’s ‘Gebroeders’ – Solstov. Ik heb het gevoel dat ik al jaren leef, ik voel me oud. Echter, mijn geboorte-akte vertelt me dat ik toch echt nog maar twintig jaar op deze aardkloot rondloop. Misschien was mijn vorige leven zo zwaar dat de opgebouwde last in dit huidige leven nog steeds op mijn schouders drukt. Logischer is het dat dit leven te stressvol is. De werkelijke leeftijd zegt niet veel – in ieder geval niet genoeg. Vermenigvuldig je leeftijd eens met drie, dat is gevoelsmatig een stuk realistischer. Zestig jaar oud, zo voel ik me. Voor de buitenwereld een jong ventje, ik behoor nergens iets vanaf te weten en moet dus vooral mijn bek houden. Momenteel zit ik trouwens in het vliegtuig. Ik ben op weg naar Wales en vraag me niet waarom.

Ik heb geleerd in de tegenwoordige tijd te leven. Vroeger leek alles perfect maar achteraf werd het me pas duidelijk dat die perfectie altijd een illusie is geweest zonder kans op verandering. Terugkijken is pijn lijden en over het algemeen onnodig. Zonder verleden geen toekomst? Ik bewijs het tegendeel door te zijn wie ik ben.

Ik ben mooi, het mag dan niet perfect zijn maar het komt toch aardig in de buurt. Een bewijs ook dat goddelijkheid niet perfect is: ik ben goddelijk maar niet perfect. Ik ben lang, de zware lasten des levens tors ik met me mee zonder te krimpen. Een bewijs van mijn kracht en onverzettelijke en onoverwinnelijke geest. Hoewel het niet alleen om kracht draait in het leven, daar ben ik me van bewust. Maar gelukkig heb ik ook de wijsheid in pacht en op tactisch vlak ben ik geniaal. Zo kan ik – ondanks mijn niet al te brede schouders – het  enorme, nog altijd groeiende zondepak met me meedragen zonder eronder te bezwijken.

Schoonheid is een subjectief begrip al ben ik eveneens een schoolvoorbeeld van objectieve schoonheid. En dan doel ik niet alleen op mijn doorleefde maar in prachtige staat verkerende gelaat of mijn weelderige, zwartgeverfde haarbos. Verzorging, daar draait schoonheid om. Verzorging dient een wezenlijk deel van ieders leven te zijn. ‘IJdelheid der ijdelheden' is wat de Prediker zegt, ik noem het noodzakelijk. De laatste jaren ben ik een stuk breder geworden – natuurlijk niet té breed. Oefening baart kunst en je wordt er nog breder van ook.

Veel mensen denken dat ik gek ben, een idioot met psychopathische trekjes. Werkelijk, ik heb geen idee hoe dat komt. ‘De mensen’, weemoed vervult mijn hart als ik aan hen denk, de mensheid weet niet beter. Ik neem het hen niet meer kwalijk, eens zal men mijn gelijk erkennen. Er komt een dag dat men met de handen hoog mij in de straten verheerlijkt. “The Emperor is dead! Long live the Emperor!”

Wat ik in Wales ga doen? Geen idee, maar het is een vlucht uit het dagelijkse simplisme. Ik ben op weg naar een nieuwe werkelijkheid. Toekomstmuziek weerklinkt in mijn hoofd, wonderschone klanken, wonderschone compositorische hoogstandjes.    

Weet u, ik zou nog uren met u door kunnen praten, echt waar. Maar ik moet uitstappen, we zijn geland in Cardiff. Alex Gustaf Solstov, onthoud die naam!

© 2006, Coert van Mourik.

18 januari 2006

Soort van gedicht of zo...

De dood van de blonde vrouw

Hallo blonde vrouw, het is me een waar genoegen je in de ogen te kijken.
Mooie blauwe ogen, dat moet gezegd worden en zeker niet verzwegen.
Ik zou je graag eens spreken, of kom ik ongelegen?
Maar ach mevrouw, hier in de hel gaan wij over lijken.

Zeg blonde vrouw, vanwaar die ontwijkende blik en angstige bewegingen?
Ik wil slechts lieve woorden zeggen en je behoeden voor een vroege dood.
Bedank me niet, het is ook heden maar mijn daaglijks brood.
Maar toch vrouw, mijn woorden zijn voor u als zegeningen.

Nee blonde vrouw, ontken maar niet, echt het heeft allemaal geen zin.
De waarheid zal eerdaags toch wel boven water komen, evenals de dood.
En met het schaamrood op de kaken, liggend in de goot.
Is 't niet dat blij vooruitzicht dat je streelt, diep binnenin?

Want blonde vrouw, ik vertel je dat je einde is gekomen.
Nog een laatste kus voordat ik ga, een laatste kus nog, voordat jij gaat.
Ja blonde vrouw, daar lig je dan, al is het iets te laat.
De goot, de open wond, en ik zie je bloed wegstromen.


Edit: de derde zin van de tweede strofe is na een tip van HJ veranderd.
Eerst: Bedank me niet, het is ook maar mijn heden daaglijks brood.
Nu: Bedank me niet, hiet is ook heden maar mijn daaglijks brood.
Waarom: omdat heden en daaglijks niet mooi staat na elkaar en het zo kloppender is.
Dank je HJ.

De Droom

Ze zit tegenover me. Haar ogen gesloten maar haar armen geopend, de linker ligt op haar tas en de rechter bungelt naast de leuning heen en weer. Rustige ademhaling met een tevreden uitdrukking op haar gezicht, alsof ze verkeert in een bijzonder aangename droomwereld waar blauwe luchten en witte stapelwolken elkaar afwisselen. Een wereld waar Willie Wonka's paradijs niet slechts een fictieve creatie is van R. Dahl. Haar tong glijdt langs haar lippen, alsof ze de chocolade daadwerkelijk proeft. Subtiel draait ze het hoofd een kwartslag, zonder uit haar slaap te ontwaken. Ik aanschouw het schitterende profiel van haar gezicht en kan met moeite de neiging onderdrukken om met mijn vinger zacht langs haar wang, die ze me net zo uitnodigend toedraaide te strijken. Ik open de poorten van haar geest en stap haar droom binnen, ze heeft een prachtige ietwat doorschijnende witte jurk aan die om haar heen fladdert als ze uitgelaten door de groene velden rent, ik zie haar silhouet en kan niet anders dan pragmatisch vaststellen dat ik in de droom van mijn droomvrouw terecht ben gekomen. Dan kijkt ze me geschrokken aan, alsof ze wil zeggen 'jij hoort hier niet, niet in mijn droom'. Ik wil mijn aanwezigheid verantwoorden, maar nog voor de woorden de wal mijner tanden passeren kunnen bekijk ik die van haar; prachtige witte tanden, maar niet tandpastareclame-wit, en ze lacht ze bloot. We zetten ons neder tegen een boom en genieten van het uitzicht, zonder een woord te zeggen, we eten chocolade. Ik draai mijn hoofd en nader haar lippen. "Dames en heren, we naderen station Ede-Wageningen, deze trein zal nog..." Een harde stem maakt een einde aan de illusie. Beide ontwaken we en kijken elkaar vluchtig aan, blozend. Ik kijk in mijn tas en geef haar de reep chocolade die daar nog in zit. Ze knipoogt naar me en schenkt me nog eenmaal de mooiste glimlach die ik ooit gezien heb. Alsof ze wil zeggen: "dankjewel, en dit is ons geheim." Ik sta op en loop richting de deur maar bedenk me en draai me om, ik glijd met mijn vingers langs haar wang en fluister in haar oor: "ik draag je bij me in mijn dromen." Dan verdwijn ik, dan verdwijnt ze.

Dromen, deden we dat maar meer. Durf te dromen! Natuurlijk, daar is in deze pragmatische en verstarde maatschappij geen plaats voor, maar laten we dan plaats creëren door onze droomwerelden niet langer te negeren.
De voorgaande droom van mijzelf is een combinatie van diverse feitelijke en fictieve gebeurtenissen en gedachten. Het meisje bestaat, en thank god: niet alleen in mijn dromen!

En nog iets: ik fietste vandaag door het zonnige Ede en wat zag ik: een buitenlander met zijn zoontje en dochtertje, lol makend bij de eendjes. En op zulke momenten denk ik: waar maken wij ons in godsnaam druk over in deze wereld?

13 november 2005

Mijn vader en ik.

Papa, ik heb een relatie met je, zoals zoveel kinderen een relatie met hun vader hebben. Die van ons echter, is haast van eclectische schoonheid, ondanks de enorme dissonantie die de harmonie zo dikwijls overstemt. Harmonisch zou het moeten zijn, welluidend als een pas gestemd middeleeuws orgel of een beroemd symfonieorkest in hoogtijdagen. Maar de dissonantie van de woordenwisselingen, de meningsverschillen en de compleet diverse levenshoudingen overheerst regelmatig. Desondanks blijft de eclectische schoonheid fier overeind staan als een stormvloedkering.

Het eclecticisme houdt volgens Van Dale het volgende in: "het streven om verschillende denkvormen, werkwijzen, stijlen of motieven te versmelten tot iets nieuws." Exact de beschrijving die mijns inziens geldt voor de relationele verstandhouding zoals deze is tussen jou en mij. Stef Bos zei het al: "Jij gelooft in God dus jij gaat naar de hemel. En ik geloof in niets, dus we komen elkaar na de dood nooit meer tegen". Ja, je gelooft in God, en ik geloof vast dat, als er een God is, jij in de hemel komt. Ik geloof niet, dus in dat geval zullen we elkaar niet tegenkomen. Die wetenschap is voor mij een zware last om te torsen, en jij zult ongetwijfeld moeite hebben met mijn ongeloof. Toch blijft er de mate van verstandhouding die we altijd gekend hebben. De band tussen vader en zoon, de band tussen gelijkgestemden, hoe vreemd dat ook moge klinken. Onze naam, ons bloed, het schept een band, een niet te verbreken band. Onze diverse denkvormen, werkwijzen, stijlen en motieven versmelten wij tot iets nieuws, iets van ongekende schoonheid, een harmonieuze eenheid met een overweldigende dissonantie. Het lijkt nogal een contradictio in terminis, in mijn ogen is dat het niet. Zou dat ook niet de kern van het eclecticisme zijn; een harmonieuze dissonantie?

Zo waren we afgelopen vrijdag bij mijn zus, zij heeft met haar man een huis gekocht en daar moet (zoals de traditie ons verplicht) nog een hoop aan gebeuren, wat onze aanwezigheid aldaar verklaarde. Een muur. Beitels en hamers. Maar vooral een hardheid die ik niet vaak heb meegemaakt. De muur stond symbool voor onze relatie.

Een uitleg:
De muur was van een voor mij onbekend materiaal, maar wat ik wel weet is dat het keihard was. De bedoeling was om de wand enigszins glad te krijgen (het was nogal grof materiaal) zodat deze goed gestuukt kon worden. Elke korrel die er door ons af werd geslagen leverde weer een nieuwe op, zo leek het. We keken regelmatig moedeloos opzij, naar elkaar, gevolgd door een diepe zucht en wederom het gehamer op de harde muur. Aan het einde van de dag was deze wel iets gladder maar nog steeds bijzonder grofkorrelig. Ik keek weer opzij, naar jou. Je zweette, je verkrampte, je had pijn en was moe, de aftakeling werd zichtbaar aan de buitenkant. De ouderdom eist zijn tol, dacht ik op dat moment. Maar ik had het niet willen missen, het samen arbeiden schept een band, een diepe band die mijn hart vervulde met een apart en niet te omschrijven gevoel.

Waarom staat deze muur symbool voor onze relatie? We hebben jaren gehamerd op onze relatie, er zijn diverse scherpe punten afgehakt, maar toch kwamen er nieuwe voor terug, toch bleef onze relatie overeind, net als de grofkorrelige muur. Grofkorrelig, dat was en is onze relatie, maar standvastig.

Ik houd van je.

(Overigens, de zaterdag volgend op de bewuste vrijdag werd de wand met grof machinaal geweld glad gemaakt door mijn zwager. Hopende dat dit geen teken aan de wand is, verblijf ik.)

12 oktober 2005

Neerslachtigheid is de bakermat van creativiteit

Ja, ik ben regelmatig neerslachtig en sowieso redelijk pessimistisch en in het bezit van een vrij cynisch wereld- en mensbeeld. Nu zat ik gisteravond een beetje tv te kijken en waarempel, inspiratie in mijn hoofdje!
Daar vloeide deze tekst uit voort, en ik ben bij deze ook heel erg benieuwd wat men er van vindt (ik ben namelijk mijn engels aan het oefenen... )

Your Bathroom Floor

And I lay dying on your bathroom floor
And I grab your washbasin, before...
Before you stab a knife in my back
And there is no reason, just a lack...
A lack of love and crack, just a heroïne whore
And for sure you were the one that I adore

And I am screaming in your bathroom now
And you won't listen to me, but how...
How dare you, you took away my love
Well, my endless love just wasn't enough
And in spite of your anger, I shall not bow
And for sure you were the one, but I am out

And I remember I was moving in
In your holy cave, before the min...
The minute I let our river flow
But where good times disappear, there's no...
No reason to stay with you but the heroïne
And I was moving out and moving in

And you hate me, I am sure, you hate me
I don't care, 'cause as far as I can see
Only hallucination, and I...
Don't want anything more than die tonight
Die tonight, and forever be free
For now I just want you to believe me

It's too bad, but you drove me mad

Schrijven in Amsterdam

Ik was laatst in Amsterdam, het was nog vroeg (vrijdag 7 oktober, een uurtje of 9 's ochtends). Ik dronk met veel plezier een kop warme chocolademelk met slagroom met een lekker broodje erbij en keek gefascineerd om me heen naar de mensen. Gefascineerd door die mensen, door de diversiteit van het 'stationsrestauratie-publiek' begon ik te schrijven en ik stopte niet meer tot mijn goede vriend Paul rond 11 uur arriveerde.

Een van de resultaten van mijn 'single-writing-session' is een gedichtje, het heet Dubbel, en ik ben benieuwd wat men er van vindt.

Dubbel

Daar zat hij dan,
door iedereen gehaat.
En hij lachte,
zijn tanden bloot.

Daar liep hij dan,
door iedereen bekeken.
En hij danste,
zijn eigen dans.

Daar sprong hij dan,
door niemand gezien.
En hij miste,
zijn laatste kans.

Daar lag hij dan,
door niemand gemist.
En hij huilde,
ja, hij huilde zichzelf dood.

30 augustus 2005

Je t'aime (gedichtje)

Je t'aime

Ik houd van jou
geen idee waarom.
Zijn het je ogen,
is het je lach?
Zijn het je borsten,
is het je kracht?
Ik weet het niet.
Ik weet het niet.

Ik houd van jou
geen idee waarom.
Zijn het je haren,
is het je pracht?
Zijn het je lippen,
is het je macht?
Ik weet het niet.
Ik weet het niet.

Ik houd van jou
geen idee waarom.
Zijn het je armen
om mij heen, of
zijn het je woorden
die zacht klinken:
je t'aime, je t'aime...